Ludwig
van Beethoven
'Coriolan'  Ouverture

De ouverture ‘Coriolan’ opent met een intense unisono C, gevolgd door dramatisch stijgende akkoorden, duistere en onheilspellende voorboden. Het daarna volgende onrustige ritme weerspiegelt de wispelturigheid van de trotse en hooghartige Coriolanus. Het tweede thema verschijnt, lyrisch en evenwichtiger, in majeur. Dit zou Coriolanus’ moeder en vrouw kunnen voorstellen, die hem smeken en trachten over te halen af te zien van oorlog en zijn razernij tegen de Romeinen. De tegenstellingen blijven bestaan: rusteloze energie wordt gevolgd door hernieuwde smeekbeden, tot Coriolanus uiteindelijk terneergeslagen zelfmoord pleegt, wat tot uitgedrukt door drie zachte pizzicato C’s.
W. A. Mozart
Klarinetconcert in A

In de late achttiende eeuw kwam de klarinet net op als modern orkestinstrument. Mozart voelde zich direct tot het instrument aangetrokken, zich bewust van het scala aan uitdrukkingsmogelijkheden. Dit concert werd geschreven voor zijn vriend en mede-vrijmetselaar de klarinetvirtuoos Anton Stadler. Mozarts liefde voor de klarinet is onmiskenbaar, zoals hij het solo-instrument vakkundig mengt met het orkest. Er ontspint zich een levendige conversatie met fijnzinnig vraag- en antwoordspel. De klarinet spreidt al zijn klankmogelijkheden tentoon zonder de noodzaak van grote cadensen, wat deels mogelijk is door het lichter bezette orkest (zonder hobo’s en andere klarinetten). Dit geeft de solist alle vrijheid het middenregister te verkennen. Het eerste deel, allegro, kenmerkt zich door virtuoze passages en grote sprongen tussen de registers. Het tweede deel, adagio, is mooi en diepzinnig, een ontroerende solomelodie met een melancholieke ondertoon. De snelle en bijna humoristische finale doet iedere somberheid vergeten. Dit was Mozarts laatste compositie voor zijn dood twee maanden later.
2018-10-flyer-website.png
Robert Schumann
Symfonie Nº4  in d op.120 (1841)

Men zegt dat Schumann oorspronkelijk door zijn getalenteerde pianospelende vrouw Clara werd aangemoedigd om orkestwerken te schrijven. Het is dus niet verrassend dat de eerste versie van deze symfonie in d-klein werd gecomponeerd voor haar verjaardag in september 1845. Onthutst door de lauwe ontvangst van het werk liet Schumann de symfonie echter liggen, en in de tussentijd kwamen de 2e en 3e symfonie tot stand. Pas een decennium later kwam hij op het stuk terug, en het werd uiteindelijk in 1853 uitgevoerd. Deze keer werd hij gunstiger ontvangen, maar helaas zou de opnieuw tot leven gewekte symfonie zijn laatste zijn. Zijn verslechterende gezondheid leidde tot zijn dood in 1856.

 De Vierde Symfonie is interessant vanwege zijn combinatie van jeugdig optimisme (in het oorspronkelijke werk) en rijpe reflectie (in de latere toevoegingen). De zwaarte die merkbaar ontstaat door blazers 

en strijkers te dubbelen toont wellicht iets van het grotere en serieuzere dat met de jaren komt.

Schumanns opvallendste innovatie is de manier waarop hij de vier delen zo nadrukkelijk met elkaar verbindt. Vroeger bestonden symfonieën altijd uit vier afzonderlijke delen. In deze symfonie zien wij Schumann het werk tot een doorlopende eenheid maken. Hij vraagt het werk zonder pauzes door te spelen, en voegt een ongebruikelijke overgangspassage in tussen het derde en vierde deel.

 

De samenhang binnen het werk gaat nog veel dieper. Het motief dat door de fagot en de tweede violen wordt geïntroduceerd vormt de inspiratie voor het tweede deel (Romanze), waarna de omkering daarvan weer het thema wordt van het derde deel (Scherzo), en een fragment ervan begeleidt het hoofdthema in het vierde deel. Feitelijk kan nagenoeg ieder thema of begeleidende figuur in het hele werk worden herleid tot elementen uit de openingsmaten. Pas in de laatste werveling introduceert Schumann een geheel nieuw, speels — en nu eens niet verwant — thema, dat net zo plotseling weer wordt losgelaten, om nooit meer terug te komen.

© 2019 AmSO.